|
VOBK formuleerde een reactie op de voorliggende ontwerpbegroting cultuur en de besparingen die deze met zich meebrengen. U kunt de brief aan de minister die gisteren verstuurd werd hier lezen:
Vlaams Minister van Cultuur Joke Schauvliege,
Beste Joke,
Na uw toelichting in de Commissie Cultuur van het Vlaams Parlement dd 12 november 2009 wil VOBK reageren op de voorliggende ontwerpbegroting wat cultuur betreft.
Het is nu eenmaal crisis
Er moet bespaard worden. We vinden het als culturele organisaties vanzelfsprekend dat ook wij hier ons steentje bijdragen. De relevantie van deze besparingen wordt door ons niet in vraag gesteld.
Een kleine daling na grote stijgingen?
Het kunstenbudget kende een significante stijging in de voorbije 10 jaar. Hierdoor lijkt het alsof er heel wat ruimte is om terug wat te besparen. Dit beeld klopt niet: hoe meer het totale kunstenbudget steeg, hoe meer organisaties erkend werden en middelen toegekend kregen. Als resultaat hiervan hebben we nu in Vlaanderen een enorm rijk en waardevol kunstenlandschap, maar tegelijk zijn de middelen voor de individuele organisaties zeker niet altijd toegenomen. Sommigen zitten al veel te lang vast in een status quo situatie waardoor de koopkracht van de organisaties in kwestie is afgenomen, en nog anderen moesten inleveren ten opzichte van eerder toegekende middelen. Degenen die wel een stijging toegekend kregen hebben deze middelen moeten aanwenden om hun werking uit te breiden, te professionaliseren of aan de vernieuwde subsidievereisten tegemoet te komen. In ieder geval zijn er weinig of geen culturele organisaties te vinden die over een reserve beschikken die aangesproken kan worden om verder te werken op hetzelfde elan met wat minder middelen.
Besparingen bij de culturele organisaties zijn dus niet zonder gevolgen: als men de inhoudelijke werking moet afbouwen en projecten afzegt wil dit zeggen dat tijdelijke tewerkstelling van kunstenaars en omkaderende medewerkers voor deze projecten niet doorgaat. Veel organisaties zullen zich verplicht zien om de permanente tewerkstelling in te krimpen. Deze besparingen – hoe noodzakelijk ze ook zijn – hebben dus in eerste instantie gevolgen voor de (artistieke en omkaderende) werknemers binnen deze sector.
Lineair, maar toch ook niet
Er werden lineaire besparingen aangekondigd. Iedereen zou dan een gelijke inspanning leveren om onze begroting zo snel mogelijk terug in evenwicht te krijgen. Dit beeld klopt niet.
Ten eerste merken we op dat de besparingen helemaal niet lineair worden toegepast. Soortgelijke organisaties moeten verschillende percentages van hun toegekende werkingsbudget inleveren. De besparingen worden enkel lineair doorgevoerd binnen de verschillende basisallocaties, dit onderscheid tussen allocaties heeft alleen betekenis op begrotingstechnisch vlak.
In realiteit noteren we verschillende besparingspercentages onder de organisaties die structureel gesubsidieerd worden onder het kunstendecreet: wie een kunsteducatieve werking heeft moet meer inleveren dan wie een sociaal-artistieke werking heeft, de kunstenorganisaties vallen daar dan ergens tussenin en de steunpunten moeten nog een stuk meer inleveren. Het besparingspercentage lijkt voor iemand die niet de hele technische achtergrond kent bijna willekeurig bepaald te zijn zonder enige rekening te houden met de specificiteit van sectoren of organisatievormen.
Er vallen grote verschillen op te merken tussen culturele organisaties die vallen onder het Cultureel Erfgoeddecreet, de Grote Instellingen, de organisaties Kunstendecreet en het Lokaal Cultuurbeleid.
Bepaalde allocaties waar middelen op voorzien zijn die aan gemeenten of provincies worden gestort blijven dan weer volledig gespaard, maar tegelijk niet al de allocaties tav gemeenten of provincies… ook hier valt er dus geen lijn te trekken.
Sectorspecifieke kenmerken worden genegeerd
Ten tweede merken we op dat lineaire besparingen op verschillende organisaties een heel erg verscheiden impact hebben. Als een organisatie slechts voor 20% van zijn totale middelen van de Vlaamse Gemeenschap afhangt is een besparing van pakweg 2,5% op het subsidiebedrag bijna verwaarloosbaar in het gehele plaatje. Een andere organisatie die voor 95% afhankelijk is van deze subsidie ziet zijn werkingsbudget significant inkrimpen.
Het kunstendecreet zelf houdt rekening met de specificiteit van bepaalde sectoren of werkvormen. Zo moeten sommige organisatievormen 12,5 % eigen inkomsten weten te vinden, berekend op de artistieke uitgaven, en anderen slechts 5 %. Bij deze besparingsronde wordt hier volledig aan voorbij gegaan.
Het is verleidelijk om deze bedenking van tafel te vegen met het argument dat wie werk maakte van het verhogen van zijn eigen inkomsten op dit moment beloond wordt voor die inspanningen en anderen aan te manen hetzelfde te doen. De specificiteit van een deelsector, een werkvorm of een bepaalde organisatie kan de mogelijkheden voor het verwerven van eigen inkomsten enorm beïnvloeden. Zo zal een kleine organisatie met minder dan 1FTE vaak niet voldoende tijd en knowhow hebben om hier werk van te maken, of zal een werkplaats die niet publieksgericht is moeilijk sponsors kunnen aantrekken. Een organisatie die zijn tentoonstellingen beeldende kunst gratis aanbiedt aan een publiek of die werk toont in de publieke ruimte kan dan weer geen inkomsten aan de kassa werven, en wie geen infrastructuur heeft kan geen horeca-afdeling uitbaten.
Het dogma dat besparingen lineair doorvoeren de eerlijkste manier van werken is blijft oi dus niet overeind.
Eigen instellingen eerst
We stellen vast dat de eigen instellingen na alle inspanningen tijdens de voorbije legislatuur om efficiënter te gaan werken de grootste percentages moeten inleveren. In veel gevallen is de afhankelijkheid van Vlaamse middelen daar net vrij groot.
Als minister is het bij deze besparingen uw taak om mee te bepalen welke delen van de beheersovereenkomsten met deze instellingen niet uitgevoerd moeten worden om aan de besparingen te kunnen voldoen. Ook hier is het dus belangrijk te beseffen dat besparen zonder inkrimping van de werking of het personeelsbestand niet mogelijk is.
Beleidsprioriteiten zoek
Een algemene indruk bij het lezen van de begroting is dat de beleidsprioriteiten die naar voor geschoven worden in de beleidsbrief cultuur ondergesneeuwd zijn door de besparingsoperatie. Zo wilde u bijvoorbeeld meer aandacht voor de beginnende en individuele kunstenaar, maar wordt er bespaard op de beurzen, projecten aan kunstenaars en creatieopdrachten terwijl de gemiddelde beurzen de afgelopen jaren steeds kleiner werden.
Uw prioriteit om het evenwicht tussen projecten en structurele middelen binnen het kunstendecreet te herstellen wordt niet weerspiegeld in uw begroting.
Het internationaal cultuurbeleid versterken is een andere operationele doelstelling uit uw beleidsnota die moeilijk te verzoenen valt met het voorliggende begrotingsontwerp.
Keuzes maken
VOBK vraagt u om in de toekomst goede en heldere keuzes te maken op basis van duidelijke prioriteiten. Hierbij mag u het ‘out of the box’ denken niet schuwen. Er kan efficiënter omgesprongen worden met de beschikbare middelen zodat beleidsprioriteiten wel zichtbaar zijn in de budgetten en u met uw cultuurbeleid duidelijke accenten kan leggen in het culturele veld.
Als belangenbehartiger willen wij graag meedenken aan alle mogelijke manieren om in de toekomst op een efficiëntere manier met de middelen voor cultuur om te gaan en VOBK vraagt u om hier een open en constructief gesprek over te voeren.
VOBK dankt u voor uw aanzet tot dialoog over deze besparingen op 27 oktober tijdens de toelichting voor de belangenbehartigers uit de culturele sector, en hoopt op een spoedig vervolg van het gesprek dat u hiermee opende.
Met vriendelijke groet,
VOBK
Fran Devos, coördinator
Luc Delrue, Voorzitter
Noot: op woensdag 18 november reageerde ook Bart Caron in De Standaard op het feit dat de lineaire besparingen helemaal niet zo lineair blijken te zijn. Lees het artikel hier.
|